Kung Fu

Kung Fu

Kung Fu is een verzamelnaam voor alle Chinese gevechtskunsten. Wing Chun Kung Fu is één van de bekendste.
De Chinese gevechtskunsten bestaan waarschijnlijk al meer dan 3000 jaar. Ze zijn niet alleen bedoeld om te kunnen gebruiken als zelfverdediging, maar ook als een middel om de gezondheid te verbeteren en te behouden. Het is meer dan alleen sport. Het is lichamelijke en geestelijke opvoeding mede bepaald door de geografische ligging, religie, philosofie, medische wetenschap, geschiedenis, kunst, literatuur, voedingsleer en nog vele andere aspecten van de Chinese samenleving. In één woord ‘cultuur’.
Er wordt in veel geschiedenis verhalen vertelt over een Indiase monnik, genaamd Ta Mo (Bodhidarma in het Japans) die het Kung Fu in China geïntroduceerd zou hebben. Ta Mo kwam ergens in de zesde eeuw vanuit India naar China om het Boedhisme te verspreiden, maar de Shao Lin monniken zouden zo’n slechte conditie hebben gehad dat ze tijdens het mediteren in slaap vielen. Om dit tegen te gaan heeft Ta Mo de monniken een set oefeningen gegeven die ontwikkeld zouden zijn tot het Shao Lin Kung Fu. Ondanks dat het een mooi verhaal is, is het zeer onwaarschijnlijk dat dit de oorsprong zou zijn van de Chinese gevechtskunsten. De geschiedeis van de Chinese gevechtskuntsen gaat veel verder terug. Volgens velen is het ontstaan als een zelfverdediging tegen wilde dieren.
De Chinese gevechtskunsten zijn grofweg in tweeën te delen. De grens ligt bij de Gele Rivier: de Huang Hé. Ten noorden van deze rivier liggen de noordelijke stijlen en ten zuiden de zuidelijke. In China luidt een bekend gezegde: zuidelijke vuist, noordelijke voet. Hiermee wordt bedoeld dat in het noorden de nadruk op beentechnieken ligt en in het zuiden de nadruk op handtechnieken.
In het noorden zijn de mensen over het algemeen langer en is de grond harder waardoor men vaker gebruik zal kunnen maken van beentechnieken. Een boer in het zuiden die tot halverwege zijn knieën in de modder van een rijstveld staat zal minder snel gebruik van zijn benen maken. Ook wordt er in het zuiden veel gevaren. Op een boot wil je ook niet wankel staan, dus blijf je relatief laag en stevig op beide voeten staan.
Er is nog een indeling in de Chinese gevechtskunsten onafhankelijk van noord of zuid en dat is het verschil tussen de innerlijke (interne) of uiterlijke (externe) stijlen. De uiterlijke stijlen zijn tamelijk bekend. Dit zijn de stijlen die nadruk leggen op spierkracht en er vaak nogal woest en hard uit kunnen zien.
De Innerlijke stijlen leggen meer nadruk op innerlijke kracht. De bewegingen zien er zacht en ontspannen uit. Maar vergis je niet, de kracht die op een tegenstander wordt overgebracht is alles behalve vriendelijk. Het is voor een leek alleen minder goed te zien en daardoor te begrijpen. Eén kenmerk is dat als deze stijlen éénmaal kontakt maken, ze dit kontakt proberen te behouden (kleven) en de tegenstander hiermee beheersen.